dinsdag 27 mei 2008

Max Roach - It’s Time (Impulse, 1962)




Drummer Max Roach, die vorig jaar overleed, is niet meteen de meest vergeten muzikant. Zijn discografie bevat maar liefst zeventig eigen albums en daar komen nog een ton andere platen bij waar hij op meespeelde. Met zo’n aantal kan er wel eens een speciale creatie aan onze aandacht ontglippen.
Roach stond aan de wieg van de bebop. Hij speelde drums met muzikanten zoals Charlie Parker, Duke Ellington, Charles Mingus, Dizzy Gillespie en Thelonius Monk. In volle bebop-bloei was hij het, die samen met Kenny Clarke de bebopstijl ontwikkelde op drums. Muzikaal was het een heel vruchtbare tijd, want bijna elke plaat uit die periode (van 1945 tot eind jaren ‘50) wordt nu beschouwd als een jazzdocument.
We zijn begin jaren zestig in New York. De Amerikaanse zwarte bevolking is actiever dan ooit tevoren en verzet zich volop tegen de segregatie. Zo ook de muzikanten. De speeltijd is in zekere zin voorbij. Steeds vaker komt er een politieke en sociale boodschap naar voren in hun composities. De titel van de vergeten plaat ‘It’s Time’, is eigenlijk een verkorte versie van ‘It’s time for liberation’. Maar om verschillende redenen werd deze titel verkort. Max Roach
was al meer dan eens tegendraads geweest volgens de normen van de Amerikaanse muziekindustrie en kwam bijgevolg ook op de zwarte lijst terecht van verschillende Amerikaanse labels tijdens de jaren zestig. Gelukkig was er Impulse (van dat label kan je ongeveer alles blind kopen), dat voor de tweede keer een album opnam met Roach. Toen de plaat verscheen, werd meteen duidelijk dat het een ambitieus werkstuk was en uiteindelijk bleek het niveau en het luisterplezier al even indrukwekkend. Roach liet zijn hardboproots achter zich en begon een nieuwe weg in te slaan. Het werd geen avant-garde, noch post-bop, noch souljazz en toch resulteerde deze uitgave in een mix van net die drie genres, waarmee de drummer een heel origineel kader schepte.
Het personeel op ‘It’s Time’ bestaat enkel en alleen uit klassebakken. De muziek, allemaal Roachcomposities, wordt gespeeld door een sextet en ondersteund door een 16-koppig koor. De muzikanten waren trompetspeler Richard Williams, tenor-saxofonist Clifford Jordan, trombonist Julien Priester, pianist Mal Waldron en bassist Art Davis. Max Roach zelf speelde drums, piano en orchestreerde het geheel. De legendarische Bob Thiele producete ‘It’s Time’, Rudy Van Gelder stond in voor de mastering.
Tot dan waren er reeds verschillende jazzalbums opgenomen met een koor, maar het was de eerste release die brak met de popconventie waarbij het gebruik van teksten voorop stond. Slechts op ŽŽn nummer worden er echte woorden gebruikt. De andere nummers kunnen worden omschreven als stemexperimenten. Max Roach schreef stukken om het koor te integreren in het jazzensemble, een uniek en buitengewoon moeilijk project.
Eigenlijk had Roach met deze plaat de fundamenten gelegd voor vergelijkende albums die later werden opgenomen door Donald Byrd (A New Perspective) en Andrew Hill (Lift Every Voice). Maar hij blijft met dit werk wel een lengte voor op muzikaal vlak. Hij blijft weg van de gospel- en bluesinvloeden en kiest resoluut voor het moeilijkere werk, dat doorspekt is met tegenritmes en improvisatie.
De rol van het koor is hier bijvoorbeeld ook veel belangrijker dan louter vulsel op de achtergrond. De stemmen zijn namelijk even gelaagd als de instrumenten zelf. Er ontstaan soms duels tussen beiden, maar ze kunnen ook complementair klinken, waardoor een bijzondere sfeer geschept wordt. EŽn opvallende uitzondering op deze plaat toch: het laatste nummer, gezongen door Abbey Lincoln, of de toenmalige mevrouw Roach. Ze zingt ‘Lonesome Lover’. Het is het enige stuk op deze plaat met tekst en het kan vooral beschouwd worden als een klassiek jazznummer. De eenvoud - in vergelijking met de andere nummers op deze release - wordt ruimschoots goedgemaakt door de emotionele sterkte en diepgang. ‘Lonesome Lover’ heeft alles om een ijzersterk jazznummer te zijn. Max Roach sluit er zijn plaat ‘It’s time’ dan ook mee af op de meest ontroerende manier.

zaterdag 17 mei 2008

African Head Charge - My Life in a hole in the ground (1981)



African Head Charge - My Life in a hole in the ground (1981)

Onder de naald ligt een plaat uit het jaar 1981, gebotteld in London met een stevige Jamaicaanse afdronk. We zijn ergens terechtgekomen waar de crossover tussen dub en punk begint te bloeien.
African Head Charge werd in 1980 opgericht door percussionist Bonjo I en geproduced door Adrian Sherwood, die de eerste vier African Head Chargealbums uitbracht op zijn On-U-Soundlabel. Beide mannen vonden elkaar in het vermengen van vrije sonische exploraties en wereldse oerritmes. De basis van hun muziek was de rootsmuziek, maar de muzikale visie moest een volgend stadium bereiken. Bonjo I, net ingeweken vanuit Jamaica en daar als muzikant gevormd bij de rastagemeenschap in de bergen, legde zich vanaf zijn vroege jeugd toe op rastadrums, Afrikaanse en Afro-Cubaanse ritmes. Dankzij die specifieke achtergrond van Bonjo I doet de muziek van African Head Charge soms denken aan de muziek van Count Ossie en diens nyabinghi drumming in Grounation (nog een dikke aanrader!), maar ze graaft een pak verder door de sonische en psychedelische studio-experimenten.
Bonjo I en Adrian Sherwood musiceerden voor de eerste keer samen met Prince Fari en Creation Rebel in 1979. Maar eigenlijk kon African Head Charge gezien worden als een virtuele groep, die zich in zijn beginjaren enkel zou bezighouden met studio-opnames en slechts veel later live zou optreden.
In 1981 bracht Brian Eno> het uitstekende album My Life in the Bush of Ghosts uit. Adrian Sherwood en Bonjo I lazen in een interview met Eno dat hij een visie had over een psychedelic Africa. Ze raakten gefascineerd door zijn muzikaal concept en begonnen, letterlijk ondergronds, te experimenteren in de Londense kelderstudio Berry Street. De opnames die ze toen maakten resulteerden in het album “My Life in a Hole in the Ground”. Op Eno’s album hoor je ritmisch geknipte achtergrondgeluiden, samples van Libanese herders en biechtende priesters. Met African Head Charge gaf Adrian Sherwood een avant-gardeversie van Afrikaanse dub als antwoord.
De meeste nummers op My Life in a Hole in the Ground worden – net zoals bij reggae - gedragen door bas en drum en minimalistische Afrikaanse percussie. Die vormen een soort basislaag, maar de kleur van het album gaat nog veel wijder. Sommige nummers klinken overwegend Afrikaans en doen denken aan de Jamaicaanse rootsmuziek. Andere hebben een Oosterse toon, terwijl nog andere echo’s bevatten van westerse jazz. Er werd volop gezocht naar nieuwe manieren om met klanken te toveren, maar hierbij mocht ook niet veel tijd worden verloren. Studiotijd was duur en schaars en samplers waren nog niet courant in de opnamestudio’s. Er moest dus gebruik gemaakt worden van opnamekanalen om de eerste edits te bewaren en te bewerken.
Luisteren naar African Head Chargeplaten is nog steeds een bevreemdende ervaring door het amalgaam van geluiden: Afrikaanse chanting, industri‘le geluiden uit de Londense straten, gemixed met krakende tapes met daarop bijvoorbeeld een discussie van Einstein die het over taalervaring en het leerproces heeft. Verder nog in de aanbieding: tonen van onderzeeers, Afrikaanse percussie, een Chinese harp en een geheel dat gedragen wordt door een vette, ronde bas, met dank aan de dubpioniers uit Kingston. De hoofdmoot dub wordt verder gekruid met de avant-gardejazz van Don Cherry, Ornette Coleman en James Blood Ulmer. Zo is, vooral op dit album van African Head Charge, de sax en trompet van Deadley Headley belangrijk om de geest van Afrika op te wekken, de New Orleansjazz te imiteren en de avant-gardeaanvallen van Pharoah Sanders en Ornette Coleman te counteren.
African Head Charge maakte nog drie goede studio albums na My life in a hole in the ground, waarop ze volop experimenteerden. Daarna werden ze een volwaardige liveband, tot de split in 1992. In 1994 vervulde Bonjo I zoals elke rastafari zijn droom en verliet hij Engeland voor moeder Afrika, in zijn geval Ghana.Haal deze plaat in huis of kom gerust op bezoek. We rollen er wel één. Jah Ruistafari.

Igor Wakhévitch - Docteur Faust (1971, Pathé Marconi)




Igor Wakhévitch - Docteur Faust (1971, Pathé Marconi)

Bij voetbal heb je de Jupiler League, de Premier League en de Champions League. Bij muzikanten bestaat ook een soortgelijke onderverdeling. Igor Wakhévitch behoort tot de Manchester Uniteds van de platenplaneet, of tot de George Bests onder de muzikanten.
Wakhévitch is een levende Franse componist die in de jaren zeventig een zevental releases uitbracht op het EMI-label Pathé. In de platenkast kan je hem onderbrengen bij avant-gardistische, elektronische componisten zoals Pierre Schaeffer, Terry Riley en Pierre Henry.
Van jongsafaan moet hij een redelijke muzikale bol geweest zijn. Hij begon op achtjarige leeftijd piano te spelen en op zijn zeventiende won hij de Jury’s First Prize for Piano met unanieme stemmen. Twee jaar later, in 1967, won hij de Musical Analysisprijs, als student van Olivier Messiaen. Kort daarna begon hij, onder leiding van Pierre Schaeffer, te werken voor de befaamde Parijse muzikale onderzoeksgroep GRM. In die periode was er een broeiende muzikale scene in Frankrijk met genreoverschrijdende werken, waarbij klassieke muzikanten, rockers en elektronische pioniers met elkaar in contact kwamen en samen componeerden. Een zeer bekend voorbeeld is Pierre Henry die vermengde.
Ik heb lang getwijfeld welke plaat ik zou bespreken van Igor Wakhévitch. Ze zijn allemaal van sublieme kwaliteit en horen stuk voor stuk thuis in een platenkast. Maar het werd uiteindelijk Docteur Faust uit 1971. Het is misschien wel zijn meest bizarre album – na een eerste beluistering althans – want dit album spreekt terzelfdertijd het makkelijkst aan. Dat komt wellicht omdat de plaat het dichtste aanleunt bij een klassiek popalbum, maar meteen ook een gekke wirwar van beelden oproept dankzij de sonische spelletjes en verrassende wendingen. Docteur Faust is Wakhévitch’ tweede album en is een ode aan Robert Wyatt en Mike Ratledge van de rockgroep Soft Machine. De muziek werd opgenomen in de Cour d’Honneur van het Palais des Papes in Avignon in opdracht van Jean Vilar voor het jaarlijkse Franse theaterfestival.
Het geheel is een mix van klassieke euze muziek. Je wordt als luisteraar meegenomen op, wat we clichématig kunnen omschrijven als, een trip. Maar geloof me: een trip die zelfs niet te vergelijken valt met die van een geweldige psychedelische band of een geschift improcombo. We hebben het hier over het gemors van stukjes lsd-papier op je tong of een teveel aan paddo’s doordat je niet kon wachten op de uitwerking daarvan.
Nummers met rockelementen worden doorspekt met bizarre geluidsexperimenten, vreemde orgels en het plotse opduiken van orkestrale stukken. Een van de nummers klinkt als een kerkbezoek, met in de hoek een geselende monnik, maar de sacrale sfeer wordt doorbroken door een monumentale synthlaag, die er bijna voor zou zorgen dat je je muziekinstallatie een serieuze trap zou verkopen zodat hij nooit meer aanfloept.
Wat volgt zijn energetische, zelfs op het randje van doomy gemene nummers die in je trommelvliezen worden geboord en die je doen headbangen. Maar vooraleer je living wordt omgetoverd in café War Pigs, wandelt Edgar Varése binnen,gevolgd door Morton Subotnick met Léon Theremin in zijn valies.
Het is niet duidelijk wie meespeelt op deze plaat, maar hoogstwaarschijnlijk kreeg Wakhévitch hulp van de muzikanten van de Franse band Triangle. Zij speelden zeker mee op zijn eerste plaat Logos en zowel het orgel als de drums op Docteur Faust doen aan deze muzikanten denken.
Igor Wakhévitch creëert een vierdimensionale buitenaardse geluidswereld, zwanger van kleur en emotie. Het is veel om te slikken, maar het wordt nooit een overdaad. Het album is maar dertig minuten lang, maar heeft een kracht van 9 op de schaal van Richter.

Daniel Schell & Dick Annegarn - Egmont & the ff Boom




Daniel Schell & Dick Annegarn
Egmont & the ff Boom (1980/2003)

Zelfs de platenkast van Ruis heeft te doen met de binnenlandse politiek. Zal het dan zover komen dat er een nieuwe onderverdeling
moet worden gemaakt in onze bibliotheek en dat we de Belgische sectie moeten opsplitsen? Of ontstaan er dan platen met faciliteiten? Voor het zover is laten we een van de kroonjuwelen uit de schatkist aan bod komen.
We schrijven 1975. Daniel Schell is op tournee met zijn groep Cos, net nadat ze hun magistrale lp Postaeolian Train Robbery hebben uitgebracht. Tijdens de tour strijkt de band neer in Spanje, waar er na een optreden een lokale journalist naar de bandleider stapt en vraagt waarom ze een bepaald lied van de Spaanse gitarist Paco de Lucia coveren. Daarop antwoordt Schell kordaat: “Wij spelen tenminste de echte Spaanse muziek”. Repliek: “Waarom speelt u dan niet de echte muziek der Nederlanden?” Het gesprek met de journalist liet Daniel Schell niet meer los en hij ging op zoek naar muziek van Amsterdam tot Arras en van Keulen tot Diksmuide, uit de Zeventien Provinciën tout court dus. Het vertrekpunt van deze plaat en ook wel de zoektocht van Daniel Schell, is “de Nederlandse School” of de stijlrichting van polyfone vocale muziek in de vijftiende en zestiende eeuw. De meest belangrijke componisten uit die tijd zijn geboren in de historische graafschappen Vlaanderen en Henegouwen en in het hertogdom Brabant. Tijdens de periodes van politieke stabiliteit in deze eeuwen – dus eigenlijk tussen twee oorlogen in - waren deze gewesten binnen de Nederlanden het kerngebied van alle noemenswaardige economische en daarmee ook van alle culturele activiteiten, alhoewel niet alle centra terzelfdertijd even toonaangevend waren. Het centrum werd ook tegen het einde van de zestiende eeuw naar Italië verlegd, waar slechts autochtone Italianen wat in de pap te brokken hadden. Maar goed, de meest bekende en interessante voorbeelden van deze Nederlandse school zijn Ockegem, Obrecht, Dufay, Willaert, Josquin, Lassus en Monte.
Het thema van Egmont & the ff Boom is de vierde graaf Egmont (1541 - 1568), ridder van het Gulden Vlies, die samen met de Spaanse koning Filips de tweede de Fransen versloeg. Als beloning werd hij tot stadshouder van Vlaanderen en Artesië benoemd. Kort daarna brak de Beeldenstorm uit en werd het verzet tegen de Spaanse overheersing in de Nederlanden groter.
Als overtuigd katholiek keurde Egmont de Beeldenstorm ten zeerste af en hij zwoer andermaal trouw aan de Spaanse koning. Na de Beeldenstorm stuurde Filips II de hertog van Alva naar de Nederlanden om orde op zaken te stellen. Willem van Oranje ontvluchtte hierop Brussel. Egmont en Horne besloten niet te vluchten. Hoewel Egmont tot het einde toe katholiek bleef en ook trouw aan de Spaanse koning, werd hij samen met Graaf van Horne op last van Alva ter dood veroordeeld.
De muziek zelf op Egmont and the ff Boom werd hoofdzakelijk gecomponeerd door Daniel Schell en Dick Annegarn en is gebaseerd op - onder andere - de polyfone muziek uit Egmonts tijd, volksliederen en missen. De nummers klinken dan ook soms volks en vrolijk als een geuzenlied, maar soms ook hoofs, waarbij je jezelf op een of ander hof waant. Ze kregen ook een serieuze streep mystiek mee. Maar de plaat gaat nog verder met hedendaagse muziek en met het naar progrock ruikende ff Boom. Ze zakt nergens in elkaar en is een aaneenschakeling van sublieme momenten waardoor je ze kan beluisteren als muziekstuk én als luisterspel.
De muzikanten die meewerkten aan de nummers, vinden we terug in andere vaderlandse bands zoals Univers Zero en Cos, en sommigen zijn vandaag nog steeds actief. Nog een andere “medewerker”, was de renaissancecomponist Clemens Non Papa. Enkele nummers op deze uitgave zijn namelijk gebaseerd op motetten en psalmen van deze voorname polyfone componist. Hij was een van de vruchtbaarste muziekschrijvers van de zestiende eeuw.
Daniel Schell en Dick Annegarn leverden een prachtig werk af met geschiedenis, vol luisterplezier en vakmanschap.
De heruitgave is nog vlotjes te verkrijgen en daarom schenk ik Egmont & the ff Boom als nieuwjaarsgeschenk aan de Ruisische rechtse rakkers.
Vive Musique Belgique Archive.

Silver Apples Silver Apples (KAPP 1968)




Silver Apples Silver Apples (KAPP 1968)

Als er één plaat is die je altijd en overal kan meenemen, is het de debuutplaat van Silver Apples. Waar je dat album ook speelt – bar, woonkamer, concertzaal of kraakpand – mensen luisteren. Er zit duidelijk iets in de muziek van de Silver Apples dat de aandacht trekt.Silver Apples ontstaat als duo in 1967 in New York. Voor Simeon Coxe (zang, keyboard) en Danny ‘Dan’ Taylor (drum) is het concept heel simpel, maar toch verrichten ze met hun idee pionierswerk: hun klank is die van een minimale rockgroep, maar wel gedreven door een hypnotische beat en scheve repetitieve melodiën. Op die manier anticipeert het duo zowel op de experimentele elektronische muziek als op krautrock. Ze drukken ook hun stempel op de latere indierock en dansmuziek waarop muziekfreaks enkele jaren later helemaal door het dak zullen gaan.Simeon bespeelt twaalf oscillatoren via zessentachtig knopjes. Met zijn handen, ellebogen en knie‘n bedient hij de lead- and ritmeoscillatoren, met zijn voeten zorgt hij voor de bas. De instrumenten bouwt hij deels zelf omdat hij zo de tonaliteit en akkoorden kan wijzigen. Het drumstel van Dan Taylor – die in 2005 overleed aan een hartaanval – telt dertien verschillende trommels, vijf cymbalen en nog een paar kleinere percussie-instrumenten.In 1968 verschijnt Silver Apples’ eerste gelijknamige album op KAPP records. De volledige plaat wordt op vier sporen opgenomen en het duo speelt in de studio nauwelijks anders dan wanneer ze live spelen. Voor de opnames worden bijna geen overdubs gebruikt en knip- en plakwerk is niet aan de orde, door de beperkingen van de four-track. ‘Amateurswerk’, zo beschrijft het duo het opnameproces, want niemand kan hen bijvoorbeeld vertellen hoe ze hun microfoons best opstellen tijdens de opnames, zelfs hun eigen labelmensen hebben geen flauw idee. De muziek op het album is op het moment van de release du jamais entendu. Het is op-en-top spacemuziek. Simeon maakt een geluidscollage die zowel simpel, meeslepend, hypnotisch en energiek klinkt. Silver Apples cre‘ren innovatieve muziek met een aanzienlijk popgehalte. Je hoort non-esoterische tantra’s, vermengd met harmonische en melodieuze gezangen. De teksten waren meestal gebaseerd op gedichten van een vriend, die beide leden dan bewerkten.Na meerdere beluisteringen, zit je met een nieuwe collectie popsongs in je hoofd. De hoge oscillatoren klinken soms als een theremin en geven de muziek extra spanning. De bas werkt de trance in de hand en pingpongt met tegenritmes. Drummer Danny Taylor - die voorheen nog met Žne Jimmy Hendrix in een groep speelde - verlegt zijn ritmepatronen van dansbare tribale naar gestoorde en tegendraadse beats. Hij stemt de drumvellen zelfs zodat zijn ritmes in harmonie staan met de akkoorden van Simeon. Een van mijn favoriete nummers op het album en ook een absolute trance in je hoofd is Program. Er worden gewone radiosamples in de song gemixed, maar Silver Apples slagen erin om daar toch de perfecte geluiden bij te spelen waardoor het een fantastische track is geworden. Het is nog een bewijs van hoe fris en spontaan het duo op zoek gaat naar ‘hun’ geluid, want dat is wat hen net zo anders en goed maakt. Silver Apples maken na dit debuut nog twee albums die zeker ook de moeite zijn om aan je collectie toe te voegen, maar laat je eerst volledig overtuigen door deze plaat. Het is ongetwijfeld een aankoop die je je nooit zal betreuren en een absolute aanrader om in de vroege uurtjes het niveau van een afterparty op te krikken.

The White Noise - An Electric Storm




The White Noise - An Electric Storm (Island 1969)

In de tijd toen polyfone synths en samplers nog niet bestonden, waren er een paar straffe nerds die erin slaagden om met behulp van tapedecks de luisteraar te verblijden met ongehoorde geluiden. Een van die nerds was een vrouw met de naam Delia Derbyshire. Met een beetje geluk kwam zij midden jaren zestig terecht bij de BBC waar ze de geluidseffecten verzorgde voor Radio Drama. Derbyshire werkte in die tijd als enige vrouw voor de befaamde BBC’s Radiophonic Workshop en had het sowieso moeilijk om haar talent te bewijzen. Vaak werd haar een job in de muziek geweigerd omdat ze een vrouw was, maar ook later bij de BBC kreeg ze vaak tegenkanting. Zij het dan omdat haar muziek soms te bizar was voor de oren van de oversten en ze volgens hen “geen muziek maakte voor het doelpubliek van de BBC”. Om haar ei toch kwijt te kunnen werkte ze - vaak anoniem - met haar collega’s Brian Hodgson en Peter Zinovieff na haar dagelijkse job aan muzikale projecten en gaf ze vaak workshops en lezingen voor geinteresseerden. Delia Derbyshire had al een reputatie opgebouwd door de muziek voor de serie Doctor Who te componeren, waardoor mensen zoals Syd Barret, Brian Jones en Paul McCartney over haar schouder kwamen meekijken hoe ze bepaalde geluiden en effecten tevoorschijn toverde.
In 1968, tijdens een van haar lezingen, was de Amerikaan David Vorhaus in de zaal. Vorhaus kwam naar Engeland om zijn legerdienst te ontlopen en er te studeren. Toen hij Derbyshire hoorde praten over elektronische muziek die ze toen maakte met Unit Delta Plus, stapte hij op haar af en overtuigde hij haar om met hem muziek te maken. Het duo maakte samen met BBC collega Brian Hodgson twee nummers onder de naam The White Noise en stapte daarmee naar Island Records. Het label zag een release meteen zitten en gaf hen daarvoor een stevig voorschot.
Samen bouwden ze een eigen studio met huisgemaakte instrumenten, zes tapedecks, en ze haalden er wat vrienden bij om te zingen, gitaar te spelen en te drummen. Met de tapedecks werden effecten gecreëerd en polyfone geluiden gemaakt waardoor de decks eigenlijk muziekinstrumenten op zich werden. Ook percussieve geluiden haalden ze uit de decks. Op de eerste plaat van The White Noise hoor je zelden de klassieke drumgeluiden die wij kennen, maar wordt het ritme vaak aangegeven door elektronische geluiden, die door Delia in elkaar geknutseld waren.
Meer dan een jaar werkten ze aan het album, tot het label hen vroeg om de lp af te werken. De A-kant was klaar, maar voor de B-kant hadden ze amper elf minuten muziek. De afgewerkte nummers waren een soort mengvorm van psychedelische popnummers met vervreemde achtergronden. Songstructuren weken vaak af van de refrein-strofe-refreinopbouw, maar klonken des te intrigerender. Of nog: musique concrète ontmoette popmuziek.
Afsluiten deden ze door een koor met verlaagde pitch na te bootsen. Het resultaat klonk als een donkere eucharistieviering die je kippevel bezorgt. Perfect om de plaat af te sluiten, maar het maakte het geheel extra vreemd.
In 1969 kwam hun album An Electric Storm uit. Voor die tijd was het een erg vooruitstrevende plaat en als je de muziek vandaag beluistert, klinkt het allesbehalve gedateerd. Het was de tijd waarin de Moogsynth sterk opkwam. Verschillende popmuzikanten hadden er al gebruik van gemaakt, maar de muzikanten van The White Noise gingen een stap verder door de technieken van de musique concrète toe te passen op een rockalbum. Op het album is daarnaast ook een EMS-synth te horen. In 1968 waren zij een van de eersten om deze synth te gebruiken op een rockalbum.
Het album verkocht slecht en de groep werd ontbonden. Later breide Vorhaus nog twee lp’s als verlengstuk, maar die konden An Electric Storm nog niet in de verste verten benaderen. Dat komt volgens mij omdat Delia Derbyshire er niet meer bij was. Haar genialiteit stak boven elke muzikant uit waarmee ze samen componeerde. Ook op andere werken is duidelijk te horen hoe groot haar bijdrage was. Haar collega’s spraken ook over haar karakter en hoe ze soms nauwelijks met andere mensen kon samenwerken, omdat ze ‘het’ gewoon niet hadden.
Uit pure frustratie verliet Delia Derbyshire begin jaren zeventig de BBC en ze ging werken in musea en boekwinkels. Ze bleef muziek maken, maar de erkenning volgde pas twee decennia later. Eigenlijk mocht ze geen muziek uitgeven onder haar eigen naam wegens contractuele verplichtingen. Zo kan je Derbyshire haar werk anoniem terugvinden op de platen van bijvoorbeeld Electrosonic, Electrophon, Kaleidophon en Unit Delta Plus.
An Electric Storm is een geweldige aanrader die je bovendien goedkoop op de kop kan tikken.

vrijdag 16 mei 2008

The Book of AM (Wah Wah 1978 - 2005)




The Book of AM (Wah Wah 1978 - 2005)

The Book of AM, is een unieke combinatie van opnames en beeldmateriaal. Het kan beschouwd worden als het testament van een erg vruchtbare hippiescene op de Balearen. De plaat verscheen in 1978 als lp en recentelijk werd ze heruitgegeven als dubbelelpee met een boek van honderd pagina’s inclusief mooie illustraties van Juan Arkotxa. The Book of AM is een multiculturele band die oorspronkelijk vier lp’s wou uitgeven, die zouden overeenstemmen met de vier fases van elke dag (dauw, ochtend, middag en nacht). Enkel de twee eerste platen kwamen echter tot leven, maar klinken tijdloos.
Juan Arkotxa en Leslie MacKenzie besloten om na hun studies te gaan reizen om creatieve inspiratie op te doen. In december 1973 belandden ze uiteindelijk in Bodhgaya, India. De Tibetanen waren er net het nieuwjaarsfeest met de dalai lama aan het voorbereiden. Het was ook de plek waar 4000 jaar geleden Siddhartha uiteindelijk Boeddha werd. Duidelijk een plek voor gelijkgestemde zielen dus. De twee Spanjaarden leerden er verschillende muzikanten kennen, waaronder Alberto Ruz, Gerhardt of Ice en Brother John. Het was alsof verschillende religies en filosofie‘n samenvloeiden in een spiritueel hoogtepunt. Eenmaal terug in Ibiza, maakten ze het boekje Garland of Visions of the Absolute, met heel wat etsen. De tijd was er rijp voor en het verkocht goed. Daarom begonnen ze in 1975 aan een tweede, driedelige versie rond de thema’s ochtend, namiddag en avond. Het werd een verzameling van 25 etsen, met een tekst gebaseerd op idee‘n uit verschillende religies en overtuigingen. Midden 1977 was het boek klaar voor druk, maar in Spanje vonden ze niemand die dat kon doen. Blijkbaar was het kleurgebruik van de etsen te subtiel om een goed drukresultaat te krijgen. Ze keerden ontgoocheld terug naar huis via Deia (Mallorca), waar Robert Graves woonde.
Ze wilden hem ontmoetten omdat hij net als hen een bewerking had gemaakt van het Welshe gedicht Song of Amergin. Dat stond in Juan en Leslies boek en ze hielden erg van Graves’ versie in The White Goddess. Eenmaal in Mallorca, was er net een muzikaal onderonsje aan de gang waar Daevid Allen ook deel van uitmaakte. Die vertelde hen over zijn werk met The Soft Machine en Gong, stelde zijn partner Gillie Smyth voor en toonde hen de Banana Moon studio. Al snel groeide de idee om een plaat bij hun boek te maken. Juan mocht er met zijn groep opnemen.
Aan het eind van de opnamesessie deden nog twee Gongleden mee, Jerry C. Hart en Tony Bullocks. Tussen januari en maart 1978 nam de gelegenheidsband twee tapes op van elk 45 minuten. De songs pasten bij de etsen en werden ook in de juiste volgorde opgenomen. Daevid Allen vond een uitgeverij voor de eerste plaat, die uiteindelijk eind ‘78 verscheen. Maar deel twee van de plaat kwam er nooit. Naar het schijnt “wegens familiale redenen”.
De plaat werd een legendarische acidfolkrelease met echte mystieke en magische muziek, die vooral gebaseerd was op vocalen en akoestische instrumenten met af en toe een synth. De muziek is een mengeling van improvisatie en straffe spirituele nummers. Soms doet het denken aan The Incredible String Band, maar ook aan solowerk van Daevid Allen. Het geheel baadt in een dromerige en melancholische sfeer met fluit en gitaarimpro, gedrapeerd met een vrouwelijke engelachtige zang.
Het boek zelf kan je lezen als een verhaal, maar het is een eerder een bundel inspiraties met enkele gemeenschappelijke thema’s die het geheel binden. Enkele teksten zijn vage idee‘n, soms reisverhalen, maar wel allemaal binnen de context ochtend/namiddag/avond. Het boek heeft iets weg van een William Blake-uitgave met po‘zie en tekeningen en vooral met eenzelfde unificerende mythische visie. De teksten komen van over de hele wereld overgewaaid: uit Wales, Engeland, het oude Egypte, Griekenland, IJsland, Tibet, Indi‘, het oude Babyloni‘ en je vindt ook verwijzingen naar Chassidische en Bijbelse teksten.
The Book of AM is de perfecte plaat om de opkomende zon in je woonkamer extra kleur te geven en je bankrekening te zien smelten.

Alice Coltrane - World Galaxy (Impulse)








Alice Coltrane - World Galaxy (Impulse)

Alice Coltrane is vooral bekend als de vrouw die op John Coltrane’s toeter blies. Sommigen denken zelfs dat zij ervoor zorgde dat het klassieke Coltrane Quartet uit elkaar ging, daar zij McCoy Tyners plaats innam als toetsenist, waardoor je haar de bijnaam Yoko Ono van de jazz zou kunnen opkleven. Alice Coltrane was een briljant pianiste, harpiste en componiste. En mocht je daar nog niet van overtuigd zijn, dan hebben we voor jou drie woorden: koop (haar plaat) World Galaxy.

De zesde soloplaat van Alice Coltrane verscheen in 1972 en werd eind november 1971 in amper twee dagen opgenomen. Het was de tijd van de fusion jazz. Andere tijden, andere drugs. Alice bewandelde echter haar eigen pad, dat van de spirituele jazz. Denk nu niet aan een soort ‘new age’-sfeer die in schoonheidsinstituten door de boxen klinkt en wel aan een bevrijdende muziekstijl.

Na de dood van haar echtgenoot, zette Alice Coltrane de zoektocht naar ‘haar’ muziek nog verder en ze ging daarbij spiritueel en unificerend te werk. Haar voorliefde voor Oosterse en spirituele muziek, voegt geweldig veel toe aan haar bluesy spelstijl en zorgen voor haar wereldse muziekbeeld en -stijl.

Om haar visie neer te zetten op World Galaxy, krijgt ze de hulp van de volgende muzikanten: Ben Riley als drummer, bassist Reggie Workman, violist Leroy Jenkins, saxofonist Frank Lower, timpanist Elayne Jones en – niet onbelangrijk – een 16-koppig strijkorkest. En stuk voor stuk waren ze meesterlijk in wat ze deden, wat heel erg hoorbaar is op het album. Alice Coltrane speelt zelf orgel, harp en piano.

De songkeuze op World Galaxy is allesbehalve voor de hand liggend en getuigt van een flinke dosis lef. Zo koos Alice Coltrane bijvoorbeeld twee composities van haar overleden echtgenoot waarmee hij van zich had laten horen en waarmee hij duidelijk zijn stempel drukte op jazz, namelijk 'My Favorite Things' en 'A Love Supreme'. Alice wijzigde de oorspronkelijke melodieën ingrijpend, waardoor klassieke nummers heel anders gingen klinken. Bovendien werd zo ruimte gecreëerd voor de strijkers, die soms de fijnste gevoelens opwekken, tot ze je het geluid van de hel en de waanzin laten horen.

"Galaxy in Turiya" behoort tot het mooiste wat Alice Coltrane ooit voortbracht. De manier waarop de harp gecombineerd wordt met de strijkers wekt het beeld op van een muzikale waterval. Over de volledige plaat hoor je de afwisseling tussen een klassiek jazzcombo en Stravinsky's strijkorkest. De strijkers spelen soms in harmonie met het orgel, in de klassieke zin van het woord, maar creëeren soms buitenaardse sferen, alsof er ufo’s boven de muziek cirkelen. En wanneer de strijkers samen met het orgel op de voorgrond treden, zweven we ergens tussen een spannende soundtrack en een ochtendbeeld met Debussy spelend op de achtergrond.

De plaat wordt afgesloten met 'A Love Supreme', waarschijnlijk het meest bekende John Coltrane nummer met een grote geschiedenis en invloed. Een keerpunt in het leven en carrière van John Coltrane.
Alice bewerkte het nummer op een indrukwekkende manier en met een plezierige schwung. Ze speelt een funky breakbeat-orgelsolo die het bluesy karakter van het nummer nog meer in de verf zet en in contrast staat met de solo's van Leroy Jenkins.

World Galaxy is een visionaire samenvloeiing van klassieke en free jazz, gospel, klassieke en Oosterse muziek. De plaat werd destijds afgebroken door de pers. Het was waarschijnlijk gewoon teveel voor de muziekjournalist uit die tijd. Alice Coltrane was hen voor en het was makkelijker om haar af te breken, wellicht omdat ze de vrouw was van iemand die al muziekgeschiedenis geschreven had, dan om even mee te duiken in haar wereld.

Het kan even duren vooraleer je deze LP goed gewoon bent, maar geef het een beetje tijd en je hoort Alice Coltrane op één van haar hoogtepunten en dat is meteen ook één van de fijnste jazzmomenten van de vroege jaren zeventig. Het album is 35 jaar later nog steeds fenomenaal. De manier waarop verschillende genres worden samengegoten is uniek. Haar muzikale rijkdom, originaliteit en durf, te zeldzaam en daarom een must in je platenkast.