dinsdag 15 december 2009

Jack Treese - Maitro The Truffle Man (USA, Saravah, 1974)




Wat doe je als een vriend van je overlijdt ? Nog even de schijn ophouden, bijvoorbeeld. Zijn favoriete drankje inschenken en een Vergeten Plaat ‘delen’. Het drankje is Talisker, een sublieme klassieke Schotse single malt, afkomstig van het eiland Skye. De lp is van de Amerikaan Jack Treese, geboren begin jaren veertig in een achterlijk midwesters boerengat in Minnesota. Zijn familie was ongelooflijk muzikaal, elk gezinslid speelde een instrument. Aanvankelijk koos Jack Treese, net zoals zijn moeder, voor de piano. Jaren later, toen hij aan de universiteit van Saint-Cloud studeerde, leerde hij gitaar spelen door niemand minder dan Leo Kottke. Het zijn de jaren van de oorlog in Vietnam en Jack doet zijn best om voor alle vakken zo goed mogelijk te presteren, zodat hij daar niet naar toe moet. Op een bepaald moment moet hij toch vertrekken, maar een vriend neemt zijn plaats in. Tot 1966 blijft hij de oorlog al studerend ontvluchten, tot hij de boeken toch durft toe te doen en naar Californië vertrekt. Daar probeert hij te overleven als muzikant door in coffeeshops en scholen te spelen tussen Los Angeles en Santa Barbara.
Na twee jaar beslist hij om op reis te gaan. Zijn bedoeling is om enkele maanden in Frankrijk te verblijven, maar dat werd net iets langer. Hij keert niet meer terug naar de States. De rest van zijn leven brengt hij voornamelijk door in verschillende landelijke streken van Frankrijk. Maar eerst verbleef hij wel in Parijs, hij kwam daar trouwens net in mei 1968 aan. Hij leert er een Franse muzikant kennen, Jean-Max Brua, ook een miskend genie. Die weet een van zijn werkgevers te overtuigen om Treese een podium te geven. Samen met Brua en enkele lokale helden neemt Jack Treese in 1971 zijn eerste lp op: “Kumberland”. Dankzij de release van dit album hoort een zekere Pierre Barouh de muziek van de vers ingeweken Amerikaan en hij geeft hem de vrijheid om wat op te nemen voor zijn label Saravah. Jack Treese neemt in totaal drie lp’s op voor dit smaakvolle label. Zowel eigen werk als opnames met Jacques Higelin, David McNeil en Brigitte Fontaine. “Maitro The Truffle Man” werd zijn laatste werk voor Saravah en was een ode aan zijn pasgeboren zoon. Op dat moment woonde de Amerikaan in de Périgord en dat is duidelijk te horen aan het album. Je zou je bij The Black Twigs in Virginia kunnen wanen, een soirée dansante voor cowboys met Europese roots! Het tweede nummer brengt je meteen ergens anders: een Gabonees koor wordt geflankeerd door een zwaar marcherende en declamerende zanger. Op de rest van de plaat staat nog één nummer met zang, maar voor de rest hoor je alleen instrumentale nummers.
Het derde en vierde nummer zijn eigenlijk gewoon warme folksongs. Muziek om bij een knetterend haardvuur te spelen. Draai deze plaat om en je komt in een opgewekte, luidruchtige herberg terecht. Soms denk ik dat Jim O'Rourke deze plaat moet kennen. Verschillende nummers doen me, vooral op de B-kant dan, denken aan O'Rourkes popnummers. Het tweede nummer op die kant raakt je meteen. Het klinkt niet echt triest, maar de combinatie van cello en klassieke gitaar geven je als luisteraar koude rillingen.
De plaat zit boordevol mooie melodieën. Niks spectaculairs, geen dingen die je nog nooit hebt gehoord of waar je achterover van valt, maar een pure, mooie én oerdegelijke plaat. En een album dat gebracht wordt door een gitarist die de vingers heeft van een houtsnijder, hard doordrukt op zijn frets en mooi speelt zonder pathetisch te klinken. Je kunt het speelplezier en overtuiging van de muzikant visualiseren terwijl je luistert. Ik denk dat de meeste van mijn vrienden deze Vergeten Plaat ook graag zullen horen. I'll have another sip. Slaapwel Jack Rose …

zaterdag 12 december 2009

Holy Toy - Why Not in Choir? / Czemu nie w chórze? (Sonet Music, Noorwegen, 1985)



De herfst maakt me zo pissig als een stel Poolse voetbalhooligans. Misschien moet ik gewoon eens een Playstation-game ontwikkelen, waarin allerhande supporterclans op elkaars smoel mogen slaan. De soundtrack komt ongetwijfeld van de groep Holy Toy. Ritmisch, atmosferisch donker, vuil, inventief en afwisselend. Hier en daar doen ze je denken aan This Heat, Joy Division, Suicide, The Pop Group, Laibach... Hoe meer ik het album Why Not in Choir ofte Czemu nie w chórze beluister, hoe meer het vernuft van deze muzikanten me plezieren. Mijn pissige bui wordt al snel omgebogen naar extreme goedgeluimdheid.
Holy Toy was de band van de Poolse vluchteling Andrej Nebb. Hij vestigde zich eind jaren zeventig in Noorwegen en verwierf enige bekendheid met zijn post-punk groep De Press. Hij verkoos daarna een ietwat experimentelere koers te varen en richtte samen met Bjorn Sorkness en Lars Pedersen de groep Holy Toy op. De groep zou acht jaar lang in een min of meer los verband bestaan en stopte ermee in 1990.
'Why Not in Choir', is het derde full album van de groep . Producers van dienst waren Andrej en Lars, die ook alle instrumenten bespeelden. Voor hun eerste releases deden ze nog een een beroep op producer John Leckie, die je misschien kent van zijn werk met de Buzzcocks, The Fall en New Order.
Deze Vergeten Plaat is minder dansbaar dan hun vroegere werk en klinkt eerder experimenteel industrieel in vergelijking met hun dansbare wave-geluid van de beginperiode.
Het album start met het geluid van loslopende varkens die de uitgang van het slachthuis maar niet vinden. Hun tocht wordt begeleid door achterstevoren gespeelde cellolijnen. Industrieel klinkende drums vallen in, omgeven door bizarre synthesizergeluiden. Bijna onverstaanbaar prevelende stemmen declameren de terugkeer van wat verging. Alle elementen worden samen gegooid en een ongelooflijk sterk nummer ontspint zich. Het tweede nummer start terug met zwijnen, deze keer begeleid door marsmuziek. Opnieuw komen mannenstemmen naar voor, maar nu eerder met een Oost-Europese inslag. Wat ze zingen is mij een raadsel. Andrej Nebb gooit er soms wat Engelse woorden bij, maar de man is een notoir linguïstisch verkrachter. Ook zijn Noors is eigenlijk een speciaal Pools brouwsel.
Het derde nummer sijpelt binnen. Donkere atmosferische lagen slepen aan en worden verrijkt met hogere tonen van echoënde beltorens. Net als het bijna romantisch dreigt te klinken, schrikt een metalen leger van geluiden je op. De plaat gaat op zijn elan voort om de eerste zijde af te sluiten met de industriële meezinger 'Men at Work'. De A-kant was al goed, maar er is natuurlijk nog die andere kant.
De B-kant overziet een breder muzikaal spectrum en start met een middeleeuws klinkend volkslied dat naar een vreemd elektronisch nummer glijdt. Eén van de redenen waarom hun klanken zo bizar zijn, is dat hun Farfisa-orgel deels stuk was en er geluiden uitkwamen die er niet hoorden te zijn. Er volgen een aantal uptempo-nummers. Donker gelaagd, maar totaal niet deprimerend. Alleen al door hun diversiteit blijven de nummers je constant boeien. Ook opvallend: op de B-kant zijn de baslijnen van Andrej Nebb. Ze zijn veel nadrukkelijker dan bij de eerste nummers. Maar misschien valt het mij gewoon meer op omdat Andrej maar met enkele vingers speelde. Bij een ongeval verloor hij namelijk een aantal vingers. Het is een raadsel wat er precies gebeurde, want als hij zijn relaas doet, vertelt hij telkens iets anders.
Het album eindigt met een tribal klinkend industrieel musique concrète nummer, om dan uiteindelijk af te sluiten bij de titel van de plaat: een Pools koor. Waarom niet ?
Ik koos Why Not in Choir van Holy Toy, maar koop gewoon al hun platen. Het ene album is iets dansbaarder en neigt naar Suicide, het ander is iets complexer en doet je denken aan This Heat.
Je Poolse poetsdame zal tevreden zijn.

Ramases - Space Hymns (Vertigo, 1971)



Dit is misschien de meest toegankelijke Vergeten Plaat tot nog toe. Bij Ramases’ Space Hymns gaat het hem meer dan louter omtrent deze plaat alleen. Het gaat hem hier ook over de band van Ramases, die gevormd werd door 10CC voor ze 10CC vormden, voor ze overgingen in Hotlegs en vervolgens in Codley & Cream.
Ramases is de mysterieuze Engelsman Martin Raphael, die soms ook door het leven ging als Barrington Frost. Geboren eind jaren dertig in Sheffield, overleefde hij als verkoper van verwarmingstoestellen. Op een goeie dag, toen hij met de auto reed, kwam de Egyptische god Ramases naast hem zitten en vertelde Martin de echte mening van het universum. Daarbij bleek nog eens dat de chauffeur de reïncarnatie was van Ramases en hij de taak kreeg om de wereld te informeren over de alomvattende waarheid. Wat hij dan ook onmiddellijk deed.
Samen met zijn vrouw Selket begon hij te musiceren en als bij wonder kregen ze een contract van CBS om er een single op te nemen. Die moest Quasar One heten, maar iemand bij CBS verstond Crazy One. Na enkele andere singles, kwamen ze bij het befaamde Vertigo label terecht, wat toen de progrock afdeling was van Philips. Het album werd opgenomen in de Strawberry Studios in Stockport dat toen gerund werd door vier mensen die later de groep 10CC zouden gaan stichten. Het zal het geluid van deze Vergeten Plaat in belangrijke mate bepalen.
De bassist Graham Gouldman beschrijft de sessies voor Space Hymns als één van zijn favoriete in zijn carrière: “iedereen zat op de grond met akoestische instrumenten en de sfeer was erg hippie en mystiek”. Het album is inderdaad gedrenkt in een folky sfeer en muzikale referenties naar dit album zijn: The Incredible String band en Comus, maar dus ook een meer popklinkende 10CC. De plaat brengt een ander geluid voort dan de meeste Vertigo platen uit die tijd, die eerder prog- en hardrock klonken. Space Hymns wordt gedragen door een vrolijke sfeer met mooie gezangen en hun harmonieën. Misschien moet ik er nog bij vertellen dat deze plaat bijlange niet de perfecte plaat is, of de meest obscure gekke plaat. Het is een steengoede vergeten popplaat.
Het album begint zoals vele hippies op de vloer beginnen te spelen: met fluiten en echoënde geluiden. Een rif komt binnen gewandeld, achterna gezeten door een aangename elektrische gitaar, rondgemaakt door een warme bas, drum en zang. De opnames vind ik zeer mooi gemaakt. Alles zit perfect voor een positieve popplaat. Alle instrumenten zijn goed te horen, er worden leuke effecten gebruikt en de moog synths komen er op tijd in, om alles nog wat meer opgezwollen te maken.
Het eerste nummer en zijn tekst geeft je direct een idee van de mystieke boodschap van deze plaat. Het tweede nummer is dan eerder een meezinger. Het klinkt als een uitbraak van een toevallige jam, waar enkele stoners beginnen te kloppen op flesjes, er wordt gedrumd op een rondslingerende trommel en de enigste tekst is: 'oh mister hello helloo hello helloo”.
Er staat één nummer op deze plaat geschreven door Ramases' vrouw Selket en ik moet zeggen dat ze er deze misschien hadden moeten uitknippen. Maar ja, dan mocht Ramases avonds waarschijnlijk alleen slapen. In ieder geval, het derde nummer zorgt voor een moeilijk moment. De twee volgende nummers van de a-kant maken het gevoel weer goed.
De b-kant telt iets meer studio-effecten. De sfeer blijft dezelfde, maar er wordt meer gebruik gemaakt van tapeloops en andere snufjes. Een absolute aanrader is het nummer Molecular Delusions. Zelfs achteruit gespeeld klinkt het door sitar-gedragen nummer super. Als je naar Kraak optredens komt, kan je het nummer soms horen, in een versie van één van onze die hard fans.
Even verderop mocht mevrouw Selket weer meeschrijven aan een nummer. Jesus heet het en het is het dipje op de b-kant. Hierna wordt mevrouw in een flightcase opgesloten, een vette moog erop geplaatst en de Journey to the Inside kan beginnen. Een nummer op zijn Hollandaise gemaakt: dat is omgekeerd gerold voor de straight etchers onder ons. Het is de perfecte afsluiter voor deze plaat met Lol Creme in een hoofdrol op zijn synth.
De cover van Space Hymns werd gemaakt door Robert Dean en is ook zwaar de moeite. De zeszijdige hoes klapt volledig open. Op de voorkant zie je een opstijgende raket, maar als je de hoes volledig opent, zie je dat het de kerktoren is die zijn basis verlaat. 2012 is bijna daar. Wanneer komt Ra naast mij zitten in de auto ?

dinsdag 13 oktober 2009

Egisto Macchi - Futurissimo (Saint Germain des Prés, 1971)




Egisto Macchi! Deze Vergeten Plaat moet worden uitgesproken met opgegeven hoofd en een triumviraat van duim, wijs- en middenvinger. Het is de trots van de Italiaanse librarymuziek.
Egisto Macchi werd in 1928 geboren en groeide op in Rome. Hij maakte in zijn leven een zestigtal soundtracks en een tiental libraryplaten.
Librarymuziek, in het kort, is muziek die in dienst van productiehuizen gemaakt wordt. Diezelfde bedrijven leveren dan geluiden en nummers aan films, televisie, radio en andere media. Het grote verschil met een gewone muziekuitgeverij, is dat de productiehuizen alle rechten van de muziek bezitten. Dit heeft als voordeel dat ze voor een stabiele prijs een werkstuk onmiddellijk kunnen verkopen, zonder dat ze de componist eerst moeten raadplegen. De klant kan volgens zijn noden in de bibliotheek ongeveer alle stijlen terugvinden. Het eerste bedrijf dat deze dienst verleende was het Engelse De Wolfe Music, dat in 1927 startte als leverancier van soundtracks voor stomme films.
De meest bekende librarymuzikanten zijn voornamelijk Italianen en Fransen, die onder verschillende pseudoniemen werkten. Enkele van de bekendere namen zijn: Bernard Estardy, Bernard Fevre, Cecil Leuter, Piero Umiliani en de Belg Joël Vandroogenbroeck.
Er is veel slechte librarymuziek gemaakt. Het gaat om simpele deuntjes die eigenlijk dienden om wat extra geld te verdienen. Een beetje zoals muzikanten die nu bijvoorbeeld reclametunes maken of beats om op te rappen. Maar er zijn dus talrijke uitzonderingen die de moeite waard zijn.
Terug naar onze plaat. Egisto Macchi was geen gewone kerel. Hij studeerde literatuur, piano, viool, zang en compositie. Daarnaast deed hij er, om de verveling tegen te gaan, nog studies geneeskunde en fysica bij. Nadat hij het studeren eindelijk beu was, was hij in de jaren zestig zeer actief in verschillende verenigingen. Met enkele vrienden richtte hij allerhande groepen op. De naar gerechten klinkende namen van zijn vrienden, zal ik hier niet vernoemen: daarvoor schiep God Google. Maar enkele voorbeelden van verenigingen zijn: een groep voor het onderzoek naar muziektheater, een magazine gewijd aan de studie van nieuwe muziek, een vereniging om hedendaagse muziek te promoten, een workshop voor elektronische muziek en een muziekgroep die stoelde op improvisatie.
Als je ziet hoeveel muziek hij uiteindelijk maakte, leed Egisto waarschijnlijk aan slapeloosheid. Hij leefde zowat op dubbele snelheid van de gemiddelde componist.
Begin jaren zeventig liet Egisto zijn eerste platen op de wereld los. Voor het Franse Saint Germain des Préslabel maakte hij één plaat: Futurissimo.
De titel van de plaat en de nummers dekken de klankkleur van deze plaat. Wat je te horen krijgt, is futuristische muziek, ondertussen gedeeltelijk gedateerd, en gespeeld door een klassiek orkest overgoten met synths uit die tijd. De toon van de muziek is algemeen dreigend. Een strijkorkest balanceert langzaam op een koord en gaat van het ene crescendo naar het andere. De prent die geschilderd wordt is die van een eenzame ruimtewandeling. Op de achtergrond hoor je het ijzer kraken van een ruimteschip, dat elk moment klaar is om uit elkaar te spatten en je de oneindige leegte in te sturen. Ik beschrijf het misschien iets te donker, want de plaat is zeker amusant om te beluisteren. Mijn hond denkt er precies anders over. Telkens deze plaat speelt, denkt het beestje dat er onweer op komst is en gaat het schuilen.
Soms doet de muziek je denken aan Igor Wakhévitch, maar het klinkt toch nog iets filmischer en spannender. Andere referenties zijn Egisto's landgenoten Nino Rota en Ennio Morricone. De ontknoping laat op zich wachten. Eenzaam tuur je de donkere ruimte in, op zoek naar helderheid en opluchting, maar je rit wordt eindeloos. Doe de lichten maar uit. Fortissimo!


woensdag 2 september 2009

Jon Hassell - Aka-Darbari-Java (1983, EG)





Frank had me nog gewaarschuwd: het wordt de warmste dag van het jaar. Plan geen activiteiten overdag, aldus de wijze KMI-man. En effectief, ik kon die dag geen actieve drummer of ijverige gitarist aanhoren. Waar ik naar verlangde was desolate woestijnmuziek, tonen die mijn bloeddoorlopen ogen zouden doen kalmeren. Volle bak Aka-Darbari-Java dus. Het zand kroop van tussen de tegels.

Jon Hassell, in 1937 geboren in Memphis, Tennessee, is een - nog levende - trompettist, die een belangrijke stempel drukte op de evolutie van wereldmuziek en avant-gardemuziek. Als jonge man studeerde hij aan een muziekconservatorium in de staat New York. Hij raakte er gefascineerd door de Europese seriële muziek, in het bijzonder het werk van Karlheinz Stockhausen. Midden jaren zestig vertrok Hassell naar Keulen om er twee jaar school te lopen bij diezelfde Stockhausen. Zijn klasgenootjes waren ondermeer Irmin Schmidt en Holger Czukay, die enkele jaren later de groep Can zouden oprichten. De ontmoeting met deze twee gekke Duitsers was voor Jon Hassell een van de belangrijkste gebeurtenissen uit zijn Keulse periode. Een tweede scharniermoment voor Hassell was toen Stockhausen een stuk speelde van La Monte Young, de man die wordt gezien als de eerste minimalistische componist.

In 1967 keerde Hassell terug naar de VS om er verder te studeren. Daar ontmoette hij Terry Riley, die hem deed ontwaken uit zijn Europese avant-gardeperiode en iets nieuw inluidde. Als jonge kerel uit Memphis zou hij onder andere een bijdrage leveren aan Rileys belangrijke werk “In C”.

Tijdens zijn afstudeerproject begon Jon samen te werken met La Monte Young en creëerde hij de “Solid State”, een onzichtbare massieve sonische sculptuur die een hit zou worden in de Amerikaanse kunstwereld. Het werd het begin van een lange samenwerking met La Monte die tot eind jaren zeventig het meeste van Hassells tijd zou innemen. Tijdens deze periode werd hij de abstracte muziek stilaan moe en ging hij op zoek naar iets anders, wat hem in de schoot geworpen werd tijdens een festival in Rome. Daar ontmoette hij de Indiaanse zanger Pandit Pran Nath. Tijdens Pandits soundcheck begon Jon spontaan trompet te spelen. Hassell beschrijft dit moment als “in een vijf eeuwen oude lens kijken”. Het werd het fundament voor alles wat de Amerikaan hierna zou componeren.

In 1977 verscheen het eerste solowerk van Jon Hassell: Vernal Equinox. De nummers werden gedomineerd door ragalijnen met elektronisch gemanipuleerde trompetten, uniek van klank en al snel het handelsmerk Hassell. Je hoort dat hij een blaasinstrument bespeelt, maar je hoort absoluut geen klassieke trompet. Een bekendere samenwerking met Brian Eno en Daniel Lanois volgde even later in 1980 toen de lp “Possible Music” verscheen. Het werd een cruciaal album voor zijn carrière, maar even later volgde de echte bom: hij bracht: “Dream Theory” uit, een werk dat klinkt als tribal met echo's uit Zuidoost-Aziatische muziek.

In 1983 was zijn nieuwe lp “Aka-Darbari-Java” klaar. “Aka” verwijst naar het Centraal-Afrikaanse woud, “Darbari” naar Indische ragas en “Java” naar het Indonesische eiland waar de unieke gamalanmuziek vandaan komt. Hassell werkte opnieuw met Daniel Lanois en maakte voor het eerst gebruik van digitale computertechnieken. Op de plaat bespeelt hij alle instrumenten, behalve de drums, die door de Senegalese traditionele drummer Abdou Mboup werden gespeeld.

Het album telt zeven nummers die alle genres in je platenkast versmelten. Je kan er echt alle registers van onze wereldmuziek op terughoren. Om maar een idee te hebben: als Hassell een stuk uit de plaat beschrijft, dan gaat dat als volgt: “Mijn trompet legt Indiaanse Darbarimotieven over Senegalese percussie, vervolgens wordt een orkest uit Hollywood van de jaren vijftig vervlochten met stemmen van Pygmeeën en gamalanwatervallen uit Java.” Wat je in werkelijkheid hoort, is een sample van zangeres Yma Sumac vermengd met Pygmeegezangen, met op de achtergrond een klein beetje orkestratie van Les Baxter.

De plaat klinkt geen twee keer hetzelfde. Blijf ze maar spelen en loop binnen en buiten, je komt telkens terug in de muziek, zonder een idee te hebben waar het verhaal precies begon of eindigde. Tijdloos en grenzeloos, klassiek en modern door elkaar met een oneindig aantal referenties. Te beluisteren met een Calippo Orange of drie.


zondag 7 juni 2009

Damin Eih, A.L.K. & Brother Clark - Never Mind (Demelot, 1973)

Damin Eih, A.L.K. & Brother Clark - Never Mind (Demelot, 1973)








Een verhuis is één grote overbodige en toch soms noodzakelijke last. Er gaat wel altijd iets stuk en je vind dingen niet meer terug, maar deze keer werd mijn slecht humeur gered door de herontdekking van een Vergeten Plaat genaamd Never Mind. Meestal zijn die fluo geel en roze en klinken als Sexy Pistolen, maar deze LP werd gemaakt door drie kerels uit Minnesota in 1973. De hoofdrol spelers zijn: zanger, gitarist Damin EIH, echte naam Dale Miller, percussionist en pianist A.L.K. ofte Allen Katzner en Brother Clark aka Clark Dircz die de bass, toeters en bellen bespeeld. Never Mind ontstond zeven jaar ervoor toen de drie groepsleden begonnen samen te spelen. Deze drie zeer verschillende persoonlijkheden brachten enkel één werk uit en dit verklaart deels de diversiteit en gelaagdheid van dit werk.
De LP is een psychedelische artefact uit 1973. De plaat bestaat hoofdzakelijk uit gitaarnummers bestaande uit een mix van pop melodieën, folk, prog, voldoende bizarre inslagen en gezonde gekheid. Het is een trip door het Midden Westen van Amerika met duidelijke Europese invloeden en is vergelijkbaar met een roadtrip zoals de band CA Quintet dat ook is. Aan de ene kant is er een speelvol en exotische klank die dan worden vermengd met een meer pretentieuze Europese proginvloed. Het gebruik van instrumenten en effecten is nogal uitgebreid en de mixing afgewerkt. Ooit werd hier redelijk wat geld en tijd ingestoken, maar de klankt en boodschap zal toch iets te bizar geweest zijn voor de gemiddelde psych fan in de jaren zeventig. De plaat geeft dan ook vele inslagen, informatie, inslagen en heeft te weinig focus om het echt als een popplaat te laten klinken. Het voordeel is dat je kan blijven luisteren en ontdekken.


Op Never Mind is niet goed te zien wat de a-kant en de b-kant is. Je kan het enkel zien aan de extra groeven en dus ook extra nummer op de b-kant. Het duurde dan ook even voor ik doorhad welke het openingsnummer was dat ondertussen volledig in mijn psychpan staat gegrift. De plaat start met een donkere onheilspellende droon, die plots wordt doorbroken door een korte rif gespeeld met de vuilste fuzz gitaar in zijn soort. Onmiddellijk volgt een tempowisseling en een ijle stem spreekt je toe "for the beginning, beyond time. Life exist, without knowing the other self and understanding". De overdreven riff neemt terug over en drijft het tempo op. Wat volgt is een tennisspel in twee snelheden, met aan de éne kant een sacrale figuur en aan de andere kant een gitarist met haar in de tanden en zijn voeten op de effect pedalen. Die twee komen samen en worden naar boven gedragen door een onderliggende laag klavecimbel. Het nummer is één van mijn favoriete psych gems.
Het tweede nummer 'Sing a different song' laat je even rusten. Een mooie 12-string gitaar wordt bijgestaan door zweverige cimbalen en vervolledigd met een falcetstem. Een derde schoon nummer volgt en doet heel erg denken aan Garry Higgins, vooral door het gebruik van een keyboard met glijdende noten. Bij het begint van de b-kant volgt het meest catchy nummer van de lp: Thundermice. Het eerste stuk van het nummer klinkt mooi en makkelijk, maar in plaats van te kiezen voor een makkelijk strofe refrein nummer, wordt de koers verlegd om de luisteraar naar iets nieuws mee te nemen en te eindigen met de groep hun Monday Morning Prayer met de bidregels: the world is ridiculous. Na de mis wordt alle grond van onder je voeten weggegraven en het nummer Gone doet je hemisferen wisselen van plaats. De plaat gaat op zijn psychedelisch elan verder om te eindigen met de overdreven fuzzy riffs van het begin van de plaat. Luistervoer voor Schatterende Demonen.




zondag 26 april 2009

HANDGJORT – S/T (Silence Records, 1970)



Handgjort is Zweeds voor handgemaakt. De band was een éénmalig project geleid door de Amerikaan Greg FitzPatrick, een grote mond die overal buiten werd gegooid en via verschillende omwegen in Stockholm belandde. Greg kwam in het jaar zeventig net terug vanuit India met zijn toenmalige band The Atlantic Ocean. Die groep splitte en dat gaf Greg FitzPatrick de kans om zijn net opgedane muzikale Indische verrijkingen uit te proberen. Hij begon met een aantal Zweedse vrienden urenlange jamsessies en beschreef het gezelschap als een ‘zit-op-de-grond-en-steek-wat-wierook-aan-en-speel-dan-urenlang’-groep.

Het lokale muzieklabel Silence Records – onder andere verantwoordelijk voor de eerste releases van Träd, Gräs Och Stenae, Samla Mammas Manna, Bo Hansson en Älgarnas Trädgard - hoorde hen spelen en nodigde de band uit om te komen opnemen. Volgens de groepsleider was het plafond van hun studio zo laag dat ze er niet eens konden staan. Perfect voor hippies, dus.

Wie er precies op het titelloze debuut speelt weten de muzikanten niet meer zo goed. Hippies, inderdaad. Het is één troebele boel en dat hoor je. Niet dat het een chaotische plaat is, verre van. Je zou hun geluid kunnen beschrijven als een mengeling van Ravi Shankar, Popul Vuh en Third Ear Band.
Oorspronkelijk telde de band een tiental leden. De instrumenten? Tablas, sarod, sitar, akoestische gitaar, fluit, hobo, klarinet, saxofoon en gong. Het geluid? Geschift maar warm. Primitief en toch rijk. Als je de plaat beluistert, zou je zeker nooit denken aan Zweden. Eerder aan zonovergoten, zanderige streken. Je krijgt een droge mond van hun tonen. De stukken die ze spelen zijn geen conventionele liedjes, maar instrumentale stukken, met een rustgevende en soms hypnotiserende werking. De meeste nummers kan je ook omschrijven als raga’s die naar een crescendo leiden.

De plaat werd eind jaren zeventig uitgebracht op tweehonderd exemplaren. Elke hoes werd beschilderd en je zal niet twee keer dezelfde hoes vinden. Vandaag is de plaat Handgjort één van de meest gezochte Zweedse platen, deels omdat die niet werd heruitgebracht.

Een jaar na de release zou de groep hun laatste optreden geven op het Gärdet festival. Toen telde de band al bijna twintig leden waaronder Don Cherry. Ze speelden meer en meer popmuziek en lieten de Indische en wereldse invloeden achterwege. De band hield er niet zoveel later mee op, maar er ontstonden wel nieuwe splintergroepen. Greg FitzPatrick stortte zichzelf in de progrock en speelde onder andere met Samla Mammas Manna. Later volgde hij de nieuwste technologieën en begon hij te experimenteren met synthesizers en elektronische muziek tot hij zich vastbeet in het maken van televisie spotjes. Dat betekende meteen ook zijn muzikale dood. Steek dus die stokjes wierook aan en laat je gaan.

Pedro Santos - Krishnanda (CBS, 1968)



Met de herontdekking van de Tropicalia-beweging, kwamen de bekendste Braziliaanse muzikanten uit de jaren ‘60 en ‘70, dankzij labels als Soul Jazz en Luaka Bop, terug boven water drijven.
Er waren echter een paar exemplaren die onder het stof bleven liggen en in dat opzicht is Pedro Santos toch een serieus vergeten exemplaar. Pedro Santos - ofte Pedro Sorongo - stond in de jaren zestig vooral bekend als 'ritmista' en speelde met vooraanstaande muzikanten zoals Elis Regina, Baden Powell en Sebastiao Tapajos. Een ritmista is een percussionist die de beat van het nummer moet aangeven en -houden. Ritmistas heb je misschien al aan het werk gezien bij sambagroepen die batucada spelen.
Santos ontwierp zijn eigen instrumenten, zoals de sorongo, de elektronische bamboo en de mond berimbau. De sorongo is een soort tamboerijn en werd vooral gebruikt bij een Afrikaanse dans die in Brazilië werd geïntroduceerd door de geïmporteerde Afrikaanse slaven. De mond berimbau is qua uitzicht én klank te vergelijken met de klassieke mondharp die wij kennen.
Het album Krishnanda werd opgenomen in 1968 en zou het enige solowerk worden van Pedro Santos. In dat jaar kreeg Helcio Milito carte blanche van het grote CBS-label om enkele lp's op te nemen. Helcio Milito was op dat moment één van de grootste samba en bossa nova drummers van Brazilië en kende Pedro Santos' werk goed. Hij vroeg hem, om met zijn hulp een album op te nemen. Alle nummers op het album werden gecomponeerd door Pedro Santos. Hij kreeg enkel assistentie van éne Jopa Lins voor het schrijven van de arrangementen.
Krishnanda vertelt over de cyclus van het leven of over de mens, die als dier ondergeschikt is aan de natuur met als centraal thema de reis waar we vandaan komen en heen gaan. De plaat haalde inspiratie bij verschillende wereldvisies en -godsdiensten en dat hoor je duidelijk aan de verschillende genres die op vinyl door elkaar worden geweven. Braziliaanse klankleuren en zang, jazz, Afrikaanse percussie, Bollywood-achtige arrangementen, etc... het Zuidelijk halfrond van deze wereld wordt gemixt en dankzij de zon bruingebakken.
Krishnanda opent met het nummer Ritual Negro, een opzwepend nummer gedragen door een arsenaal aan percussie-instrumenten. Het slagwerk wordt afwisselend gecombineerd met een blazerskwartet, zang, minimale elektrische gitaar en xylofoon en zwelt aan tot een mooi, smeltend geheel. Nummer twee en drie gaan verder op hetzelfde elan. Met het gebruik van enkele andere instrumenten wordt het geluidspalet opengetrokken, maar de basis blijft ongeveer dezelfde. Verschillende ritmische instrumenten wisselen elkaar af om een polyritmisch geheel te vormen en in zekere zin, doen deze nummers denken aan het werk van Tom Zé.
Vanaf het vierde albumnummer begint het te dagen welke studiotechnieken er allemaal werden gebruikt. Het gaat in de eerste plaats om de arrangementen, maar ook door de sonische experimenten die je te horen krijgt. Het resultaat is soms bizar. Onlangs draaide ik de plaat op café en toen klonk er plots een zéér hoge toon dat boven het nummer uitstak, waardoor de tooghangers vreemd opkeken, omdat het een beetje deed denken aan het fluitsignaal op die vervelende toonhoogte om honden te roepen.
De arrangementen geven de plaat een grootser geluid, maar zorgen ook voor een zwak punt. Ongeveer halverwege de plaat vraag je je namelijk af of het allemaal niet te cheesy klinkt. Het schrikt niet af, maar je hervalt wel van een originele luisterervaring naar een wandeling met een goedkope blanke jazz compilatie. Soit. Wat erna komt zet je oren terug op het juiste spoor met een Indische trein die door een muzikale storm raast. De plaat wordt opnieuw weirder en krijgt een meer en meer psychedelische toets: a-tonale combinaties die dan toch plots een mooi geheel vormen, onverwachte wendingen en het gebruik van ongehoorde elektronische geluiden, zorgen voor een origineel geluid.
De laatste nummers kunnen je enkel vrolijk maken. Aanstekelijke ritmes, lachwekkende melodieën en het gebruik van originele instrumenten zorgen ervoor dat grijze winters vergeten worden. Je zit namelijk op het eiland Morro De Sao Paulo. Er wordt fris water over je voeten gegoten terwijl je ogen de reflecties van de oceaan binnenlaten…



zaterdag 25 april 2009

Jacques Thollot - Quand le Son Devient Aigu, Jeter la Girafe à la Mer" (Futura, 1971) 









Nu Last.fm mijn statistieken bijhoudt, zag ik dat Jacques Thollot de muzikant is die ik het meest beluisterde in 2008. Het was eigenlijk voornamelijk deze Vergeten Plaat van de Franse dummer met titel: "Als het Geluid Scherp Wordt, Gooi de Giraf dan in Zee". De titel zegt je al, op welke schaal van Magritte we ons bevinden.


Jacques Thollot begon als jonge tiener te drummen in Parijse jazzclubs eind jaren vijftig. Hij speelde onder andere met de fantastische Barney Wilen, Kenny Clarke, Bud Powell, Don Cherry, Donald Byrd, Eric Dolphy, Steve Lacy, .... Op Youtube kan je enkele clipjes uit die tijd terugvinden, maar wat je te horen en te zien krijgt, is absoluut niet te vergelijken met het werk dat hij enkele jaren later zou maken. "Quand le Son Devient Aigu, Jeter la Girafe a la Mer" is het eerste solowerk van Jacques Thollot en misschien ook wel zijn beste werk. De stijlen die aan bod komen zijn zeer breed: klassieke muziek, jazz tot elektronische experimenten, psychedelische elementen en rock. Voor Thollot zelf is het album een soort synthese van zijn eerste ervaringen als jonge muzikant in Frankrijk. Alles wat hij meemaakte en wat hij opstak van zijn muzikale helden zit vervat in deze plaat.

Alle nummers werden geschreven door Jacques Thollot, behalve een medley van Kurt Weill nummers en een kort stukje dat geschreven werd door Don Cherry.

De muziek doet soms denken aan het werk van Robert Wyatt. Zowel het drumspel en de klankkleur van bepaalde nummers van Thollot is vergelijkbaar met de jonge Wyatt bij Soft Machine. De trieste stem van Wyatt kan je zo bij de nummers van de Fransman fantaseren.

Het label dat de eerste solo LP van Jacques Thollot uitbracht was Futura, de mythische uitgeverij die onder andere verantwoordelijk was voor releases van cultbands zoals Mahogany Brain, Red Noise en Les Fille Qui Mousse.


Het Giraffe-album telt veertien nummers en de meeste zijn korte stukjes. Slechts vijf nummers duren langer dan drie minuten en geen enkel nummer heeft vocalen. Alle instrumenten worden bespeeld door Jacques Thollot : percussie, piano, orgel, elektronische effecten en tape manipulaties. In zekere zin zijn de nummers een exploratie van zijn drumstel en piano enerzijds aangevuld met sonische experimenten. Een soort barokke jazz fungeert als leidraad en houdt het geheel mooi samen. Genres moeten hier eigenlijk niet aan bod komen als omschrijving want wat centraal staat bij deze Parijzenaar is zijn inventiviteit. Hij heeft een tegelijkertijd rijke, fragiele en luchtige schrijfstijl, en klonk nooit academisch.

Thollot start met een nummer dat zeer representatief is voor wat je zal horen op de rest van de plaat. De rechterhelft van de piano wordt in snel tempo bespeeld en een zachte, geloopte melodie neemt de leiding. Wat als verschillende stukjes piano klinkt, valt samen wanneer de drum een lopend ritme aanneemt en alle verschillende touwtjes van de melodieën samenknoopt.

Wat volgt, zijn composities die grotendeels gedomineerd worden door solodrums en melodieuze geluidscollages. Thollots melancholische scheppingen ontroeren. Verderop volgt er één van mijn favoriete Thollot nummers. Een opgefokte barokke piano, bijna kinderlijk aandoend, aangedreven door een snelle drumbeat, zorgen ervoor dat je plots in een oude zwart-wit film terechtkomt waar een man tegen de wind inloopt om zich staande te houden, terwijl alles rond hem uit de scène wordt geblazen.

Een ander goed voorbeeld is het titelnumer. Het start met een pianoriedel uit New Orleans, die door de vloer zakt en in een cinema terechtkomt waar een Italiaanse film wordt gespeeld en Nino Rota de boel leidt. De film is gedaan en we gaan over in een abstract jazznummer met Thelonious Monk en Bud Powell die aan de piano duelleren.

Ik kan nog een tijdje doorgaan en je een beschrijving geven per nummer, waarbij je telkens een andere voorstelling krijgt. Beter zou zijn om deze plaat te beluisteren en te horen hoe een vent met twee stokken in zijn hand je zijn rijke fantasie aanreikt. Poëzie op drums.



maandag 12 januari 2009

PATERNOSTER - s.t. (CBS, 1972)




De vrouw is weg. Je zit thuis, op je gemak en je schenkt jezelf een Rochefort uit. De lichten gedimd en met (of zonder) een jointje in de andere hand neem je plaats voor je warme speakers. Je draait de versterker volledig open en start de A-kant van Paternoster. Een ijl Hammond-orgel vult je kamer, een zachte basgitaar draait rond de koperdraad van je woofer richting slakkenhuis. Een gestoorde drum neemt een korte aanloop en dan sleept de aandoenlijke stem van de zanger je mee. De eerste thc-golven bereiken je bovenkamer en doen hun werk. Kortom, het feest kan beginnen.
Paternoster is niet de meest baanbrekende of intellectuele avant-garde band, maar wel een toegankelijk psychedelisch viertal. De Oostenrijkse band ontstond begin jaren zeventig en bracht één enkele LP uit in 1972, waarna ze het meteen al voor bekeken hield. Hun label was het grote CBS Records en toch is de plaat samen met de originele banden verloren gegaan. De line-up is en klinkt klassiek met bas, drum, gitaar, orgel en zang. Hun geluid kan je in het kort omschrijven als een door orgel gedomineerde groep die psychedelische bluesrock speelt. Simpel en plezant.
De groep werd geleid door Franz Wippel, een Weense stoner die één van de meeste meelijwekkende stemmen heeft, maar
terzelfdertijd grappig is dankzij zijn surreële teksten en zijn zielige houding. Je zou zijn naar zelfmoord nijgend stemgeluid als
melancholisch kunnen bestempelen, maar dan gooi je een deel van de lol van deze plaat weg. Ik denk niet dat de bandleden trieste jongens waren. Hun heavy psych geluid klinkt me veel te opgewekt en daarom denk ik eerder aan een springend stonerkwartet met een voorliefde voor bizarre teksten. Een voorbeeld: "Rooms of darkness without colours/ceiling press you down on the floor/tableware filled up with vomit/lepers freaks and cross eyed traitors/jumping round the bathroom door..."
Paternoster wordt 'in de boekjes' gecategoriseerd als een krautrock band. Dat komt gewoon door de tijd waarin de band werd opgericht én doordat ze Oostenrijks en daarmee evengoed Duits konden zijn. Maar hun klank is niet die van een krautrock band. Het groepsgeluid is eerder een kruising tussen Pink Floyd, Ash Ra Temple, een doom-band en een huilend kerkorgel.
Tijdens het schrijven van dit artikel wou ik wat meer te weten komen over de onvindbare Paternosters en hun leider Franz Wippel. Maar toen ik de zanger zijn naam opzocht in het Oostenrijkse telefoonboek, kreeg ik een driepagina tellend resultaat met alle Franz Wippels van Oostenrijk. Ik vond wel wat meer info over de bassist, Haimo Wisser. Hij blijkt in tegenstelling tot de andere groepsleden, nog een lange muzikale carrière te hebben gehad, tot hij in 1998 overleed.
De titelloze Vergeten Plaat telt zeven nummers en dankzij Paternoster word je gedurende een kleine veertig minuten een heilig misdienaartje. Het originele album is onvindbaar, maar via blogspots kan je het makkelijk vinden. Er werd ook een reissue uitgebracht, maar doordat de originele banden verdwenen zijn, hoor je gewoon een (mindere) opname van een originele plaat. Voor de geluidskwaliteit hoef je deze heruitgave dus zeker niet te kopen.
Momenteel ben ik druk aan het speculeren op de stijging van de goudprijs. Met mijn enorme winsten wil ik een psychedelische
karaokebar beginnen in Bachten-De-Kupe. Paternoster wordt er één van de vaste waarden. Amen!