zondag 26 april 2009

HANDGJORT – S/T (Silence Records, 1970)



Handgjort is Zweeds voor handgemaakt. De band was een éénmalig project geleid door de Amerikaan Greg FitzPatrick, een grote mond die overal buiten werd gegooid en via verschillende omwegen in Stockholm belandde. Greg kwam in het jaar zeventig net terug vanuit India met zijn toenmalige band The Atlantic Ocean. Die groep splitte en dat gaf Greg FitzPatrick de kans om zijn net opgedane muzikale Indische verrijkingen uit te proberen. Hij begon met een aantal Zweedse vrienden urenlange jamsessies en beschreef het gezelschap als een ‘zit-op-de-grond-en-steek-wat-wierook-aan-en-speel-dan-urenlang’-groep.

Het lokale muzieklabel Silence Records – onder andere verantwoordelijk voor de eerste releases van Träd, Gräs Och Stenae, Samla Mammas Manna, Bo Hansson en Älgarnas Trädgard - hoorde hen spelen en nodigde de band uit om te komen opnemen. Volgens de groepsleider was het plafond van hun studio zo laag dat ze er niet eens konden staan. Perfect voor hippies, dus.

Wie er precies op het titelloze debuut speelt weten de muzikanten niet meer zo goed. Hippies, inderdaad. Het is één troebele boel en dat hoor je. Niet dat het een chaotische plaat is, verre van. Je zou hun geluid kunnen beschrijven als een mengeling van Ravi Shankar, Popul Vuh en Third Ear Band.
Oorspronkelijk telde de band een tiental leden. De instrumenten? Tablas, sarod, sitar, akoestische gitaar, fluit, hobo, klarinet, saxofoon en gong. Het geluid? Geschift maar warm. Primitief en toch rijk. Als je de plaat beluistert, zou je zeker nooit denken aan Zweden. Eerder aan zonovergoten, zanderige streken. Je krijgt een droge mond van hun tonen. De stukken die ze spelen zijn geen conventionele liedjes, maar instrumentale stukken, met een rustgevende en soms hypnotiserende werking. De meeste nummers kan je ook omschrijven als raga’s die naar een crescendo leiden.

De plaat werd eind jaren zeventig uitgebracht op tweehonderd exemplaren. Elke hoes werd beschilderd en je zal niet twee keer dezelfde hoes vinden. Vandaag is de plaat Handgjort één van de meest gezochte Zweedse platen, deels omdat die niet werd heruitgebracht.

Een jaar na de release zou de groep hun laatste optreden geven op het Gärdet festival. Toen telde de band al bijna twintig leden waaronder Don Cherry. Ze speelden meer en meer popmuziek en lieten de Indische en wereldse invloeden achterwege. De band hield er niet zoveel later mee op, maar er ontstonden wel nieuwe splintergroepen. Greg FitzPatrick stortte zichzelf in de progrock en speelde onder andere met Samla Mammas Manna. Later volgde hij de nieuwste technologieën en begon hij te experimenteren met synthesizers en elektronische muziek tot hij zich vastbeet in het maken van televisie spotjes. Dat betekende meteen ook zijn muzikale dood. Steek dus die stokjes wierook aan en laat je gaan.

Pedro Santos - Krishnanda (CBS, 1968)



Met de herontdekking van de Tropicalia-beweging, kwamen de bekendste Braziliaanse muzikanten uit de jaren ‘60 en ‘70, dankzij labels als Soul Jazz en Luaka Bop, terug boven water drijven.
Er waren echter een paar exemplaren die onder het stof bleven liggen en in dat opzicht is Pedro Santos toch een serieus vergeten exemplaar. Pedro Santos - ofte Pedro Sorongo - stond in de jaren zestig vooral bekend als 'ritmista' en speelde met vooraanstaande muzikanten zoals Elis Regina, Baden Powell en Sebastiao Tapajos. Een ritmista is een percussionist die de beat van het nummer moet aangeven en -houden. Ritmistas heb je misschien al aan het werk gezien bij sambagroepen die batucada spelen.
Santos ontwierp zijn eigen instrumenten, zoals de sorongo, de elektronische bamboo en de mond berimbau. De sorongo is een soort tamboerijn en werd vooral gebruikt bij een Afrikaanse dans die in Brazilië werd geïntroduceerd door de geïmporteerde Afrikaanse slaven. De mond berimbau is qua uitzicht én klank te vergelijken met de klassieke mondharp die wij kennen.
Het album Krishnanda werd opgenomen in 1968 en zou het enige solowerk worden van Pedro Santos. In dat jaar kreeg Helcio Milito carte blanche van het grote CBS-label om enkele lp's op te nemen. Helcio Milito was op dat moment één van de grootste samba en bossa nova drummers van Brazilië en kende Pedro Santos' werk goed. Hij vroeg hem, om met zijn hulp een album op te nemen. Alle nummers op het album werden gecomponeerd door Pedro Santos. Hij kreeg enkel assistentie van éne Jopa Lins voor het schrijven van de arrangementen.
Krishnanda vertelt over de cyclus van het leven of over de mens, die als dier ondergeschikt is aan de natuur met als centraal thema de reis waar we vandaan komen en heen gaan. De plaat haalde inspiratie bij verschillende wereldvisies en -godsdiensten en dat hoor je duidelijk aan de verschillende genres die op vinyl door elkaar worden geweven. Braziliaanse klankleuren en zang, jazz, Afrikaanse percussie, Bollywood-achtige arrangementen, etc... het Zuidelijk halfrond van deze wereld wordt gemixt en dankzij de zon bruingebakken.
Krishnanda opent met het nummer Ritual Negro, een opzwepend nummer gedragen door een arsenaal aan percussie-instrumenten. Het slagwerk wordt afwisselend gecombineerd met een blazerskwartet, zang, minimale elektrische gitaar en xylofoon en zwelt aan tot een mooi, smeltend geheel. Nummer twee en drie gaan verder op hetzelfde elan. Met het gebruik van enkele andere instrumenten wordt het geluidspalet opengetrokken, maar de basis blijft ongeveer dezelfde. Verschillende ritmische instrumenten wisselen elkaar af om een polyritmisch geheel te vormen en in zekere zin, doen deze nummers denken aan het werk van Tom Zé.
Vanaf het vierde albumnummer begint het te dagen welke studiotechnieken er allemaal werden gebruikt. Het gaat in de eerste plaats om de arrangementen, maar ook door de sonische experimenten die je te horen krijgt. Het resultaat is soms bizar. Onlangs draaide ik de plaat op café en toen klonk er plots een zéér hoge toon dat boven het nummer uitstak, waardoor de tooghangers vreemd opkeken, omdat het een beetje deed denken aan het fluitsignaal op die vervelende toonhoogte om honden te roepen.
De arrangementen geven de plaat een grootser geluid, maar zorgen ook voor een zwak punt. Ongeveer halverwege de plaat vraag je je namelijk af of het allemaal niet te cheesy klinkt. Het schrikt niet af, maar je hervalt wel van een originele luisterervaring naar een wandeling met een goedkope blanke jazz compilatie. Soit. Wat erna komt zet je oren terug op het juiste spoor met een Indische trein die door een muzikale storm raast. De plaat wordt opnieuw weirder en krijgt een meer en meer psychedelische toets: a-tonale combinaties die dan toch plots een mooi geheel vormen, onverwachte wendingen en het gebruik van ongehoorde elektronische geluiden, zorgen voor een origineel geluid.
De laatste nummers kunnen je enkel vrolijk maken. Aanstekelijke ritmes, lachwekkende melodieën en het gebruik van originele instrumenten zorgen ervoor dat grijze winters vergeten worden. Je zit namelijk op het eiland Morro De Sao Paulo. Er wordt fris water over je voeten gegoten terwijl je ogen de reflecties van de oceaan binnenlaten…



zaterdag 25 april 2009

Jacques Thollot - Quand le Son Devient Aigu, Jeter la Girafe à la Mer" (Futura, 1971) 









Nu Last.fm mijn statistieken bijhoudt, zag ik dat Jacques Thollot de muzikant is die ik het meest beluisterde in 2008. Het was eigenlijk voornamelijk deze Vergeten Plaat van de Franse dummer met titel: "Als het Geluid Scherp Wordt, Gooi de Giraf dan in Zee". De titel zegt je al, op welke schaal van Magritte we ons bevinden.


Jacques Thollot begon als jonge tiener te drummen in Parijse jazzclubs eind jaren vijftig. Hij speelde onder andere met de fantastische Barney Wilen, Kenny Clarke, Bud Powell, Don Cherry, Donald Byrd, Eric Dolphy, Steve Lacy, .... Op Youtube kan je enkele clipjes uit die tijd terugvinden, maar wat je te horen en te zien krijgt, is absoluut niet te vergelijken met het werk dat hij enkele jaren later zou maken. "Quand le Son Devient Aigu, Jeter la Girafe a la Mer" is het eerste solowerk van Jacques Thollot en misschien ook wel zijn beste werk. De stijlen die aan bod komen zijn zeer breed: klassieke muziek, jazz tot elektronische experimenten, psychedelische elementen en rock. Voor Thollot zelf is het album een soort synthese van zijn eerste ervaringen als jonge muzikant in Frankrijk. Alles wat hij meemaakte en wat hij opstak van zijn muzikale helden zit vervat in deze plaat.

Alle nummers werden geschreven door Jacques Thollot, behalve een medley van Kurt Weill nummers en een kort stukje dat geschreven werd door Don Cherry.

De muziek doet soms denken aan het werk van Robert Wyatt. Zowel het drumspel en de klankkleur van bepaalde nummers van Thollot is vergelijkbaar met de jonge Wyatt bij Soft Machine. De trieste stem van Wyatt kan je zo bij de nummers van de Fransman fantaseren.

Het label dat de eerste solo LP van Jacques Thollot uitbracht was Futura, de mythische uitgeverij die onder andere verantwoordelijk was voor releases van cultbands zoals Mahogany Brain, Red Noise en Les Fille Qui Mousse.


Het Giraffe-album telt veertien nummers en de meeste zijn korte stukjes. Slechts vijf nummers duren langer dan drie minuten en geen enkel nummer heeft vocalen. Alle instrumenten worden bespeeld door Jacques Thollot : percussie, piano, orgel, elektronische effecten en tape manipulaties. In zekere zin zijn de nummers een exploratie van zijn drumstel en piano enerzijds aangevuld met sonische experimenten. Een soort barokke jazz fungeert als leidraad en houdt het geheel mooi samen. Genres moeten hier eigenlijk niet aan bod komen als omschrijving want wat centraal staat bij deze Parijzenaar is zijn inventiviteit. Hij heeft een tegelijkertijd rijke, fragiele en luchtige schrijfstijl, en klonk nooit academisch.

Thollot start met een nummer dat zeer representatief is voor wat je zal horen op de rest van de plaat. De rechterhelft van de piano wordt in snel tempo bespeeld en een zachte, geloopte melodie neemt de leiding. Wat als verschillende stukjes piano klinkt, valt samen wanneer de drum een lopend ritme aanneemt en alle verschillende touwtjes van de melodieën samenknoopt.

Wat volgt, zijn composities die grotendeels gedomineerd worden door solodrums en melodieuze geluidscollages. Thollots melancholische scheppingen ontroeren. Verderop volgt er één van mijn favoriete Thollot nummers. Een opgefokte barokke piano, bijna kinderlijk aandoend, aangedreven door een snelle drumbeat, zorgen ervoor dat je plots in een oude zwart-wit film terechtkomt waar een man tegen de wind inloopt om zich staande te houden, terwijl alles rond hem uit de scène wordt geblazen.

Een ander goed voorbeeld is het titelnumer. Het start met een pianoriedel uit New Orleans, die door de vloer zakt en in een cinema terechtkomt waar een Italiaanse film wordt gespeeld en Nino Rota de boel leidt. De film is gedaan en we gaan over in een abstract jazznummer met Thelonious Monk en Bud Powell die aan de piano duelleren.

Ik kan nog een tijdje doorgaan en je een beschrijving geven per nummer, waarbij je telkens een andere voorstelling krijgt. Beter zou zijn om deze plaat te beluisteren en te horen hoe een vent met twee stokken in zijn hand je zijn rijke fantasie aanreikt. Poëzie op drums.