
Ron Geesin is een rare kerel. Soms doet zijn muziek je lachen, dan weer stil worden en plots dringt het tot je door: die man is geniaal! Ronald Geesin, geboren in 1943, is verre van de meest populaire muzikant uit Groot-Brittannië. Al kan ik me vergissen: onlangs las ik nog dat onze eigenste koningin Fabiola hem ooit vroeg om muziek te maken bij een van haar sprookjes.
Misschien heb je al muziek gehoord van de man via zijn werk als producer/muzikant voor Bridget St. John (“Songs for the Gentle Man”) en zijn werk voor de Pink Floyd-lp “Atom Heart Mother” uit 1970. Hij orkestreerde die plaat voor Waters & Gilmour, toen die met een writersblock te kampen kregen bij het afwerken ervan. Ron leerde Roger Waters datzelfde jaar kennen tijdens een partijtje golfen. Ze beslisten om samen de soundtrack te maken voor “The Body” en gebruikten daarvoor een heleboel geluiden van het menselijke lichaam. Waardoor dat werk misschien wel een perfecte soundtrack zou kunnen zijn voor je dagelijkse routine.
Onder invloed van mondharpist Larry Adler begon de elfjarige Ron iedereen in het ouderlijke huis op de zenuwen te werken met zijn geplingplong. Later kocht hij een banjo, begon hij zelf instrumenten te bouwen en leerde hij zichzelf piano spelen. Hij had een grote droom, hij wou namelijk een eenpersoonsjugband vormen. Op zijn zeventiende verliet Geesin de schoolbanken en stortte zich voltijds op jazzmuziek. Vier jaar lang speelde hij in een traditionele jazzband om daarna het Schotse platteland in te ruilen voor Londen.
Eenmaal in de grootstad kon hij volledig zijn eigen gang gaan. Geesins eerste creaties waren doorspekt met zijn absurde humor en anarchisme, zijn nog breder wordend muzikale palet weerklonk duidelijk en er kon al geproefd worden van zijn eerste tape- en elektronische experimenten. Je kan de nummers op die eerste platen absoluut niet omschrijven als klassieke popsongs. Vergelijk ze eerder met een Flying Circusaflevering van Monty Python.
De eerste platen werden uitgebracht op Transatlantic, later richtte Ron Geesin zijn eigen uitgeverij Headscope op. Hij was een van de eerste muzikanten om een eigen eenmanslabel op te starten. Vandaag is dat geen nieuws meer, maar in die tijd was het een gewaagde en unieke stap.
In 1977 bracht Geesin de plaat “Right Through” uit, een album met hoofdzakelijk instrumentale stukken. Na een eerste luisterbeurt zou je kunnen denken dat het om een collage gaat, maar het is veel meer dan dat. Zijn composities zijn uniek en niet te vergelijken met wat andere muzikanten doen, en toch blijft de muziek toegankelijk voor iedereen.
Op “Right Through” komen de monologen en humor van Geesin minder aan bod, maar het album geeft toch goed aan wat de man allemaal kan en is mogelijk zijn creatieve piekmoment. De plaat start met het verrassende geluid van open- en dichtslaande deuren, waarbij de microfoon je door de verschillende kamers gidst. Door middel van tapemanipulatie, mantra's en een orgeldroon laat Geesin je binnen in zijn geluidspectrum, waar je meteen overstelpt wordt door een circus van musiqueconcrètecollages. Veranderende sounds komen op je af. Een groepje crapuleuze, op helium drijvende robotten doorkruisen je luisterervaring met hun stevige mars. Rust volgt pas als de snel opeenvolgende stukken door een laag synths worden overgoten.
Ron Geesin was van jongs af aan een banjo- en gitaarliefhebber en dat hoor je in “Right Through” wanneer plots, middenweg de A-kant, een barok gitaarthema een klassieke sfeer oproept. Verschillende gitaarmelodieën worden met elkaar verweven en doen de plaat een bijna ontroerende schoonheid krijgen. De sfeer wordt kapotgeslagen wanneer de gitaren hun eigen weg inslaan en de elektronische noten het opnieuw overnemen van de instrumentale. Op een ander moment komen losgeslagen, banjospelende cowboys binnengalopperen. Het thema verandert aan een verschroeiend tempo, tot ze hun paarden de sporen geven, andere oorden opzoeken en zich onder het zand, lees ritmische patronen van elektronische geluiden, laten bedelven. Die zwellen zo fel aan tot je bijna een euforisch gevoel krijgt, dat doet denken aan een meezingmoment in een Britse pub. Al snel sleurt de roetsjbaan je terug naar beneden en de extra noten die bij het vorige akkoord gevoegd werden, geven het geheel plots een wrang gevoel.
De B-kant start op een gelijkaardige manier met een klein stukje luisterspel. Voetstapgeluiden zwellen aan en nemen terug afstand. Ze versnellen en vertragen om uiteindelijk tot een abrupte stilstand te komen wanneer ze over een hoop kartonnen dozen vallen. Dan neemt Ron Geesin het over en reciteert hij met een nadrukkelijk Schotse tongval teksten en gedichten. Meerdere abstracte nietszeggende stemmen nemen het van hem over en monden uit in een mistige laag tot ze oplossen en er psychedelische synthmelodieën invallen. Vaak balanceren dergelijke geluidsmanipulaties en trucjes bij Geesin tussen grappig en onheilspellend. Zo is er bijvoorbeeld een twaalf minuten durend nummer dat ons het gevoel geeft dat we op de maan rondlopen. We krijgen een adembenemend zicht op het heelal, maar enkele ogenblikken later weten we niet meer of we ons in de natuur bevinden of in een filmstudio van een B-film. We stappen in ons ruimteschip en laten ons meevoeren tussen pure schoonheid en absurd kaasland. Aan het eind van het verhaal komen de crapuleuze robotten opnieuw voorbij gewandeld en ze mogen de plaat afsluiten. De luisteraar blijft achter in een verwarde toestand. Het wordt keer op keer enkel beter en beter.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten