woensdag 2 september 2009

Jon Hassell - Aka-Darbari-Java (1983, EG)





Frank had me nog gewaarschuwd: het wordt de warmste dag van het jaar. Plan geen activiteiten overdag, aldus de wijze KMI-man. En effectief, ik kon die dag geen actieve drummer of ijverige gitarist aanhoren. Waar ik naar verlangde was desolate woestijnmuziek, tonen die mijn bloeddoorlopen ogen zouden doen kalmeren. Volle bak Aka-Darbari-Java dus. Het zand kroop van tussen de tegels.

Jon Hassell, in 1937 geboren in Memphis, Tennessee, is een - nog levende - trompettist, die een belangrijke stempel drukte op de evolutie van wereldmuziek en avant-gardemuziek. Als jonge man studeerde hij aan een muziekconservatorium in de staat New York. Hij raakte er gefascineerd door de Europese seriële muziek, in het bijzonder het werk van Karlheinz Stockhausen. Midden jaren zestig vertrok Hassell naar Keulen om er twee jaar school te lopen bij diezelfde Stockhausen. Zijn klasgenootjes waren ondermeer Irmin Schmidt en Holger Czukay, die enkele jaren later de groep Can zouden oprichten. De ontmoeting met deze twee gekke Duitsers was voor Jon Hassell een van de belangrijkste gebeurtenissen uit zijn Keulse periode. Een tweede scharniermoment voor Hassell was toen Stockhausen een stuk speelde van La Monte Young, de man die wordt gezien als de eerste minimalistische componist.

In 1967 keerde Hassell terug naar de VS om er verder te studeren. Daar ontmoette hij Terry Riley, die hem deed ontwaken uit zijn Europese avant-gardeperiode en iets nieuw inluidde. Als jonge kerel uit Memphis zou hij onder andere een bijdrage leveren aan Rileys belangrijke werk “In C”.

Tijdens zijn afstudeerproject begon Jon samen te werken met La Monte Young en creëerde hij de “Solid State”, een onzichtbare massieve sonische sculptuur die een hit zou worden in de Amerikaanse kunstwereld. Het werd het begin van een lange samenwerking met La Monte die tot eind jaren zeventig het meeste van Hassells tijd zou innemen. Tijdens deze periode werd hij de abstracte muziek stilaan moe en ging hij op zoek naar iets anders, wat hem in de schoot geworpen werd tijdens een festival in Rome. Daar ontmoette hij de Indiaanse zanger Pandit Pran Nath. Tijdens Pandits soundcheck begon Jon spontaan trompet te spelen. Hassell beschrijft dit moment als “in een vijf eeuwen oude lens kijken”. Het werd het fundament voor alles wat de Amerikaan hierna zou componeren.

In 1977 verscheen het eerste solowerk van Jon Hassell: Vernal Equinox. De nummers werden gedomineerd door ragalijnen met elektronisch gemanipuleerde trompetten, uniek van klank en al snel het handelsmerk Hassell. Je hoort dat hij een blaasinstrument bespeelt, maar je hoort absoluut geen klassieke trompet. Een bekendere samenwerking met Brian Eno en Daniel Lanois volgde even later in 1980 toen de lp “Possible Music” verscheen. Het werd een cruciaal album voor zijn carrière, maar even later volgde de echte bom: hij bracht: “Dream Theory” uit, een werk dat klinkt als tribal met echo's uit Zuidoost-Aziatische muziek.

In 1983 was zijn nieuwe lp “Aka-Darbari-Java” klaar. “Aka” verwijst naar het Centraal-Afrikaanse woud, “Darbari” naar Indische ragas en “Java” naar het Indonesische eiland waar de unieke gamalanmuziek vandaan komt. Hassell werkte opnieuw met Daniel Lanois en maakte voor het eerst gebruik van digitale computertechnieken. Op de plaat bespeelt hij alle instrumenten, behalve de drums, die door de Senegalese traditionele drummer Abdou Mboup werden gespeeld.

Het album telt zeven nummers die alle genres in je platenkast versmelten. Je kan er echt alle registers van onze wereldmuziek op terughoren. Om maar een idee te hebben: als Hassell een stuk uit de plaat beschrijft, dan gaat dat als volgt: “Mijn trompet legt Indiaanse Darbarimotieven over Senegalese percussie, vervolgens wordt een orkest uit Hollywood van de jaren vijftig vervlochten met stemmen van Pygmeeën en gamalanwatervallen uit Java.” Wat je in werkelijkheid hoort, is een sample van zangeres Yma Sumac vermengd met Pygmeegezangen, met op de achtergrond een klein beetje orkestratie van Les Baxter.

De plaat klinkt geen twee keer hetzelfde. Blijf ze maar spelen en loop binnen en buiten, je komt telkens terug in de muziek, zonder een idee te hebben waar het verhaal precies begon of eindigde. Tijdloos en grenzeloos, klassiek en modern door elkaar met een oneindig aantal referenties. Te beluisteren met een Calippo Orange of drie.